De Smokkel

De grootschalige smokkel van Joodse kindertjes uit Amsterdam naar de provincie wordt in de geschiedschrijving het kinderwerk genoemd. Onder die naam zijn in 1943 naar schatting meer dan duizend Joodse kinderen van een wisse dood gered. Vier verzetsgroepen houden zich in meer of mindere mate bezig met dit kinderwerk. In een roerig en gevaarlijk Amsterdam, waar de Duitse bezetter in een jaar tijd de Joodse gemeenschap van 80.000 zielen wil wegvagen, worden Joodse ouders benaderd met de vraag of ze hun kind(eren) in veiligheid willen brengen. Soms staan ouders hun kinderen thuis al af voordat ze worden opgepakt. Maar de meeste kinderen worden uit de crèche tegenover de Hollandsche Schouwburg aan de Plantage Middenlaan gesmokkeld waar ze na een razzia zijn opgeborgen, wachtend op deportatie naar de vernietigingskampen.

Verzetsgroep ASG

De reddingsacties worden vaak uitgevoerd door jonge vrouwelijke studenten die de kinderen naar onderduikadressen in de provincie brengen. Friesland neemt in deze bijzondere geschiedenis een prominente plek in. Het is niet alleen de eerste regio waar kinderen naartoe zijn gebracht, Friesland neemt ook het grootste aantal op. Het eerste contact wordt gelegd door de 23-jarige Piet Meerburg, student en één van de aanvoerders van verzetsgroep ASG (Amsterdamse Studenten Groep), die voor een belangrijk deel uit jonge vrouwen van begin 20 bestaat. Als in de zomer van 1942 de eerste razzia’s in Amsterdam plaatsvinden, reist Piet Meerburg in augustus van dat jaar naar Leeuwarden op zoek naar onderduikadressen. Daar krijgt hij geheel tegen zijn verwachting nul op het rekest. In Leeuwarden geloven ze niet dat er in de hoofdstad massaal Joden worden opgepakt en afgevoerd. Een paar maanden later moeten de Friezen Meerburg toch gelijk geven als in oktober alle 42 Joodse werkkampen in Nederland worden omsingeld en ontruimd. De Joodse dwangarbeiders worden samen met hun gezinnen naar Durchgangslager Westerbork gebracht, het laatste station voor de vernietigingskampen in Polen. Door deze grootschalige actie van de nazi’s wordt vrijwel iedereen wakker geschud. Het verzet gaat zich organiseren.

De smokkelaars

Niet veel later is Piet Meerburg op ziekenbezoek in het Gooi. Daar treft hij zijn nicht Mia Coelingh. Zij is Hervormd hulppredikante in Sneek. Hij vraagt haar opnieuw om onderduikadressen voor Joodse kinderen. Eenmaal terug in Sneek zoekt Mia contact met de katholieke kapelaan Gérard Jansen en de Doopsgezinde predikant Willem Mesdag. Samen vormen ze een uniek oecumenisch driemanschap. In Sneek en omgeving zorgen ze vervolgens voor tientallen onderduikadressen voor Joodse kinderen uit Amsterdam. Op zondag na de dienst of eucharistieviering vragen ze hun gemeenteleden kinderen in huis te nemen. Gérard Jansen gaat naar verluid zelfs zover dat hij de biecht gebruikt om adressen te regelen. Onderzoek heeft uitgewezen dat naar schatting tachtig kinderen via de drie geestelijken een veilig onderkomen krijgen. Al snel verwijst Willem Mesdag de groep van Piet Meerburg door naar Leeuwarden, naar zijn Doopsgezinde collega Felix van der Wissel. Van der Wissel heeft een gemeente van 1450 zielen in Leeuwarden en omringende dorpen. Hij schakelt vervolgens één van zijn kerkleden in: Krijn van der Helm. Krijn is een durfal en zal op zijn beurt samen met Esmée van Eeghen in Leeuwarden en de kop van Friesland veel Joodse kinderen onderbrengen, naar schatting zo’n 100.Ook legt Meerburg contact met Sjoerd Wiersma en Uilke Boonstra in Joure die eveneens veel Joden helpen aan een onderduikadres. Via dit duo wordt voor 30 kinderen aan een onderduikhuis geregeld.

De route

De kinderen bereiken Friesland via drie smokkellijnen. Onder begeleiding van studentes reizen ze vanuit Amsterdam via Enkhuizen met de boot naar Stavoren. Of de tocht gaat met de veerdienst (Lemmerboot) van Amsterdam naar Lemmer. Of over het veel gevaarlijker spoor via Utrecht en Zwolle. De kinderen worden vaak eerst naar Sneek gebracht naar de Doopsgezinde kerk en pastorie van dominee Mesdag of naar Mia Coelingh. Als het nodig is blondeert Mia het haar van het kindje alvorens de reis verder gaat. Een poosje later ontstaan er ook smokkelroutes naar Limburg en Overijssel. In veel gevallen wordt in Amsterdam vanaf die tijd al een scheiding aangebracht. De Joodse kinderen met een donker uiterlijk gaan vaak naar Limburg (zij werden koffiesurrogaat genoemd), de wat lichtere kinderen passen beter in Friesland en Overijssel (zij kregen als bijnaam theesurrogaat).